verjaardag pleegzoon

Vandaag is hij jarig. Onze pleegzoon.
Weer een verjaardag die hij in de gevangenis viert.

En gek genoeg mis ik hem met de jaren steeds meer. Terwijl het contact momenteel vrijwel nihil is. Word ik ouder? Zachter? Emotioneler? Of wordt het gemis gewoon groter naarmate de jaren zich opstapelen?

Toen hij op zijn achtste bij ons kwam, zeiden we: “Hij is geboren in ons hart.” Dat is nooit veranderd.

Zijn leven is tot nu toe één grote bak ellende. Eerlijk gezegd: menig producent zou er een dramatische serie van kunnen maken. Alleen is dit geen serie. Dit is zijn leven.
Rationeel weet ik inmiddels heel goed hoe het zit.
Hij heeft kansen gehad. Heel veel kansen zelfs. En hij heeft ze keer op keer zelf verknald. Hij heeft mensen beschadigd, grenzen overschreden en keuzes gemaakt die consequenties hebben. Dat hij met regelmaat in de gevangenis belandt, komt niet uit de lucht vallen. En nee, ik keur dat vanzelfsprekend niet goed.

Maar rationeel en emotioneel zijn twee totaal verschillende werelden.

Want ergens diep vanbinnen zie ik nog steeds die lieve jongen van acht.
Het afgelopen jaar kwam hij weer wat dichterbij. We hadden regelmatig fijne telefoongesprekken. Hij liet me voorzichtig weer wat meer toe in zijn emoties en gedachten. En hij heeft eindelijk mijn boek https://www.bol.com/nl/nl/p/geboren-in-ons-hart/1001004006549771/?referrer=socialshare_pdp_www
gelezen, waarin hij een grote rol speelt. We haalden herinneringen op. Soms was hij even weer die jongen van toen.

En misschien is dat precies waarom hij dit jaar weer zo nadrukkelijk in mijn hart zit.
Want wat moet er toch in dat hoofd van hem omgaan?
Is hij vandaag blij dat hij weer een jaar ouder is geworden? Heeft hij nog hoop? Durft hij überhaupt nog te dromen over een ander leven? Gelooft hij dat het ooit anders kan?
Of is hij inmiddels gewend geraakt aan een leven waarin gevangenis, verslaving, verkeerde keuzes, boosheid en teleurstelling elkaar steeds opnieuw opvolgen?
Dat vind ik misschien nog wel het verdrietigste.

Ik denk vaak terug aan een professor die mij ooit uitlegde dat we onze samenleving deels hebben ingericht voor mensen die extra ondersteuning nodig hebben. Voor mensen met een beperking bijvoorbeeld. Daar accepteren we dat iemand soms zijn leven lang hulp nodig heeft. Wij krijgen het als maatschappij niet voor elkaar om mensen met trauma, verslaving, psychische problematiek, al dan niet verplicht, te blijven ondersteunen.

Mijn pleegzoon kan dat zelf niet.
In zijn wereld ligt de oorzaak vrijwel altijd bij een ander. Hij blijft schoppen tegen alles en iedereen.

Maar ik blijf denken aan die jongen van acht. Die jongen is niet verdwenen. Als ik hem spreek, hoor ik hem soms nog.
En daarom hoop ik misschien tegen beter weten in dat er ooit een moment komt, waarop hij niet meer hoeft te vechten tegen alles en iedereen. Waar hij op een veilige plek terechtkomt. Een plek waar hij niet voortdurend hoeft te overleven, maar leert leven. Met de juiste begeleiding, structuur en mensen om hem heen.

Vandaag sturen wij hem, zoals ieder jaar, een verjaardagskaart.
Omdat je iemand verantwoordelijk kunt houden én tegelijkertijd kunt blijven zien waar hij vandaan komt.
Omdat hij, hoe vaak hij ook valt, voor mij altijd die jongen blijft die op zijn achtste in ons hart werd geboren.

Gefeliciteerd met je verjaardag jongen.
Ik mis je.


andersmans kind verliezen


Twee vrouwen die ik inmiddels al een aantal jaren bezoek in mijn werk als auditor. Binnen de gezinshuizen vallen zij op door hun bijzondere doelgroep: ernstig gehandicapte kinderen.

Vorig jaar vertelden ze over een baby die met spoed bij hen was geplaatst. Zeer jonge ouders, die niet in staat waren om voor hun ernstig zieke baby te zorgen. Zij namen hem op in hun gezin en wilden hem, in de paar maanden die hem nog gegeven leken, een warm thuis bieden.

Vader en moeder waren altijd welkom, net als de oma’s. Ook de twee andere kinderen in het gezinshuis waren dol op hem. De baby kreeg liefde, aandacht en de juiste zorg.

Toen ik dit jaar de stukken ontving ter voorbereiding op mijn bezoek, las ik over een jongetje van een jaar oud. Het zal toch niet? dacht ik.

Maar daar zat hij. Een vrolijk, mooi mannetje, in een speciale kinderstoel.
Nog voordat ik iets gevraagd had, raakte het beeld me.

De gezinshuisouders vertelden hoe de afgelopen maanden waren verlopen. Hoe artsen eind vorig jaar dachten dat hij het ziekenhuis niet meer zou verlaten. Dagenlang wisselden zij elkaar af in het Ronald McDonald Huis, dag en nacht. Ondertussen ging thuis de zorg voor de twee andere gehandicapte kinderen gewoon door.

In februari ging het echt niet meer. Gelukkig trokken ze tijdig aan de bel en kwam er extra ondersteuning vanuit de werkgever.

Het ventje krabbelde weer op en kon weer terug naar het gezinshuis, waar de expertise aanwezig is om hem de medische zorg te bieden die hij nodig heeft- vaak dag en nacht. Maar deze twee vrouwen willen niet anders. Ze werkten jarenlang in deze sector en begonnen juist daarom een gezinshuis voor kinderen die zoveel zorg nodig hebben.

Deze drie kinderen, hoe kwetsbaar ook, zetten allemaal grote of kleine stapjes in hun ontwikkeling. Elke stap telt. Dat een kind kan en mag groeien, komt door aandacht, liefde en onvoorwaardelijk aanwezig zijn. Dat is wat deze vrouwen doen.

Een kind verliezen is het ergste wat een ouder kan overkomen. Hoe bereid je erop voor, als je weet dat dit jongetje niet lang meer zal leven? vroeg ik hen.

“Pluk de dag”, antwoorden ze.

Samen met zijn ouders en oma’s vierden ze uitbundig zijn eerste verjaardag. Deze kinderen leren je rustiger te leven en te genieten van kleine dingen.

Natuurlijk praten ze ook met de andere kinderen over hoe ziek hij is. Ze bereiden zich zelfs financieel voor op de periode daarna, zodat een aantal maanden geen nieuwe plaatsing hoeft te komen in het gezinshuis. Zodat er ruimte mag zijn voor rouw.

Ook dat hoort bij het gewone leven. Het leven in een gezinshuis.

Bij het afscheid was ik ontroerd. Ik hoop dat ze nog lang van elkaar mogen genieten – zonder te veel ziekenhuisopnames en zonder pijn voor dit kleine mannetje.

Dit bezoek liet mij de afgelopen dagen niet los. Het bevestigde opnieuw hoeveel gezinshuisouders betekenen voor andermans kinderen. Dat deze vrouwen met zoveel liefde en toewijding de laatste maanden van iemands kind nog zo waardevol kunnen maken.

Dat is de kracht van het gewone leven. De kracht van een gezinshuis.

Pleegmeisje uit Vlaardingen

De rechtszaak over het pleegmeisje uit Vlaardingen laat mij niet los.

Gruwelijk en zo verdrietig om nu de details te horen van wat hier jaren achter de voordeur kon gebeuren.

Achter elke voordeur kan er iets aan de hand zijn. “Elk huisje heeft zijn kruisje”, zeggen ze wel eens.
Bij pleegzorg verwacht je toch anders. Hier zijn altijd andere partijen betrokken, waarvan je zou verwachten dat ze regelmatig achter de voordeur komen en volgen hoe het met een kind van een ander gaat.

“Hoe is het om voor een kind van een ander te zorgen?” Dat werd mij vaak gevraagd, toen ik eerst gezinshuisouder en later pleegouder werd. Dat is wennen en aftasten in het begin, met vallen en opstaan, maar uiteindelijk kregen ze allemaal een plek in mijn hart. ‘Geboren in ons hart’ is niet voor niets de titel van het boek dat ik heb geschreven over mijn jaren als gezinshuisouder.

Dat je een kind, dat om wat voor reden dan ook niet thuis kan wonen en daar zelfs vaak niets aan kan doen, als een beest behandelt. Ik kan daar zo boos en verdrietig om worden.

Ik ben niet alleen op deze pleegouders, maar ook op alle betrokken partijen boos.

Door mijn werk als auditor kom ik veel bij gezinshuizen. Ik merk de laatste jaren dat het een soort ‘trend’ lijkt te worden: voogden komen nog amper langs om de kinderen te spreken over wie zij het gezag hebben. Dat gezinshuisouders als ‘te kritisch’ worden bestempeld door zorgaanbieders en gemeentes. Maar deze professionele hulpverleners, die 24/7 klaarstaan voor andermans kinderen, zien wat er, naar mijn mening, fout gaat binnen de jeugdzorg: niemand voelt zich verantwoordelijk of durft verantwoordelijkheid te nemen over een kind van een ander; men wijst vooral naar elkaar.

Waarom zijn de zorgaanbieder en de pleegzorginstantie in deze zaak niet medeplichtig? Biologische ouders leggen hun dierbaarste bezit onder verantwoording van professionals, maar bij deze gruwelijke gebeurtenissen, worden deze professionals niet ter verantwoording geroepen. Wat voor vertrouwen straal je dan nog uit naar de buitenwereld? Ik mis hier de openbare verantwoordelijkheid.

De oplossing? Daar wordt al veel over gediscussieerd de afgelopen jaren. Ik hoop op minder werkdruk binnen de sector. Minder procedures, bureaucratie.

Weer oog voor het kind.

Want het kind van een ander moet juist extra centraal staan. Blijf altijd naar een kind kijken, luisteren en handel als het niet goed voelt.

Dit drama in Vlaardingen is er weer één te veel. Maar ik wil en zal een grote ‘shout out’ blijven geven aan alle gezinshuisouders en pleegouders. Ik zie en hoor wekelijks hoeveel kinderen een fijn thuis hebben gevonden bij ouders met een groot, verantwoordelijk, transparant en warm hart!

Dat hart mis ik nu bij veel instanties binnen de jeugdzorg en de politiek!